Aryan van der Leij

Hoogleraar Universiteit van Amsterdam

Sessie

Duurzame Aanpak Leesproblemen in het Basisonderwijs: hoe doe je dat?

Dat er teveel leerlingen met leesproblemen zijn is evident. Of de achtergrond nu gebrek aan (taal)ervaring is door de thuisomgeving, of een aandoening die in de familie zit, ons onderwijs is onvoldoende bij machte om daar adequaat op in te spelen. Eenmaal (vroegtijdig) op achterstand, haalt de leerling zijn achterstand nooit meer in. Het goede nieuws is dat het, met het oog op preventie, niet uitmaakt of het probleem meer uit de omgeving komt (´eco´) of meer gesitueerd is in het kind (´bio´), of allebei. Kinderen die risico lopen op laaggeletterdheid en/of dyslexie dienen vroegtijdig gesignaleerd en van de juiste, individuele aanpak voorzien te worden. Inmiddels zijn er methodieken beschikbaar die hun waarde bewezen hebben (ook op de lange duur: hogere leesscores, minder zittenblijvers, minder diagnoses dyslexie, hogere adviezen VO). Dat geldt ook voor implementatiecursussen, voorbeelden van ´good practice´ en expertise. Ervaring leert echter dat zelfs de meest succesvolle aanpak na verloop van tijd weg kan ebben. Een aanpak moet dus niet alleen geïmplementeerd worden, maar ook geconsolideerd. Dat kost tijd, moeite en een duurzame doelstelling en taakverdeling. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering berust primair bij de schoolleider die de leerkrachten aanstuurt, ondersteund door personen met een gedelegeerde taak: SWVcoordinatoren, IBers, tutors en externe experts. Hoe er voor te zorgen dat er, op schools en bovenschools niveau, inderdaad sprake is van een Duurzame Aanpak Leesproblemen?

Meer info

Bio

Prof. dr. Aryan van der Leij (1946) is als emeritus-hoogleraar Orthopedagogiek verbonden aan het Research Institute Child Development and Education van de Universiteit van Amsterdam. Zijn onderzoek richt zich op lees- en gedragsproblemen op school, de rol van de leerkracht, diagnostiek en interventies. In 2003 verscheen zijn standaardwerk over Leesproblemen en dyslexie bij Lemniscaat. Hij participeert vanaf 1998 in het langlopende Dutch Dyslexia Programme dat de invloed van biologische, cognitieve en omgevingsfactoren op de ontwikkeling van dyslexie in de periode van 0 tot 9 jaar en verder onderzoekt, alsmede de genetische achtergrond en de mogelijkheid tot vroege interventie en preventie. In 2016 verscheen Dit is dyslexie bij LannoCampus dat de kennis omtrent dyslexie en de relatie met laaggeletterdheid voor een breder publiek samenvat. Na zijn emeritaat heeft hij zijn werkterrein verbreed tot de moderne maatschappelijke problematiek rond opvoeden en opgroeien. In april 2013 verscheen De pretparkgeneratie bij Nijgh & Van Ditmar.

Downloads

Download 2018 slides

Archief

Amsterdam 2018

Vroegtijdige aanpak van laaggeletterdheid en dyslexie: wat werkt?

Iemand is laaggeletterd als hij geen of onvoldoende gebruik kan maken van het geschreven of gedrukte woord. Dat betreft de techniek van lezen en spellen maar ook begrijpend lezen en begrijpelijk schrijven. Dyslexie is een specifieke leerstoornis in alleen technisch lezen en spellen. Zo maakt dyslexie dus deel uit van(extreme) laaggeletterdheid, maar omvat laaggeletterdheid meer. De definities verschillen echter op nog een belangrijk punt: bij dyslexie moet gebrek aan goed, aangepast, onderwijs als oorzaak worden uitgesloten en bij laaggeletterdheid wordt met geen woord gerept over de oorzaak. Het is echter evident dat laaggeletterdheid meestal samenhangt met de milieu-achtergrond en dat het onderwijs kennelijk onvoldoende in staat is om de achterstand die leerlingen van huis uit meekrijgen te compenseren. De achtergrond van laaggeletterdheid en dyslexie mag verschillen, wat betreft preventieve aanpak is er een duidelijke parallel: vroegtijdige inzet van gerichte, individuele programma’s. Mede dankzij de moderne digitale middelen, zijn er diverse programma’s ontwikkeld die effect hebben, in elk geval op korte termijn. Uit onderzoek blijkt ook dat er, mits langdurig toegepast, duurzame effecten kunnen zijn: het aantal laaggeletterden (zwakste 25 %), zittenblijvers en leerlingen met ‘ernstige enkelvoudige dyslexie (EED)’ (en voorverwijzing naar buitenschoolse zorg) neemt drastisch af. In de lezing komt aan de orde hoe het basisonderwijs dit voor elkaar kan krijgen.

Amsterdam 2017

Laaggeletterdheid en dyslexie: verschillen en overeenkomsten en de rol van preventie

Dyslexie en laaggeletterdheid worden in onderzoek, beleid en praktijk beschouwd als gescheiden fenomenen. Terwijl in de definitie van dyslexie de rol van onderwijs moet worden uitgesloten door het uitblijvend effect van intensieve instructie als voorwaarde te stellen, wordt in de definitie van laaggeletterdheid het gebrek aan (adequaat of intensief) onderwijs als voornaamste oorzaak aangewezen zonder kwaliteitseis. Zo schept goed onderwijs dyslexie en slecht onderwijs laaggeletterdheid. Deze paradoxale situatie kan worden opgeheven door beide in het perspectief van onderwijsverbetering te zetten en dyslexie te beschouwen als wat er aan ernstige leesproblemen overblijft nadat laaggeletterdheid succesvol is bestreden. In de lezing worden voor dit standpunt argumenten gegeven en oplossingen aangedragen.